Lijnbekenden

 
Riek van Lieshout:

Riek van Lieshout werd geboren op 13-01-1933 in de Gasthuisstraat in Geertruidenberg als zesde kind van de zeven kinderen die het  echtpaar Adrianus Franciscus van Lieshout en Maria Cornelia Schrauwen kregen. Maria, met als roepnaam Kee, kwam uit Rijsbergen.

Adrianus Franciscus van Lieshout werd op 24-02-1894 te Berlicum geboren, en begon zijn loopbaan bij de spoorwegen op het toenmalige station Sterksel aan de lijn Eindhoven-Weert als adminstratief medewerker. Daarna werd hij overgeplaatst naar Aalst=Waalre aan de lijn Eindhoven-Valkenswaard-Achel-Neerpelt. Zijn volgende standplaats werd het station Bilthoven aan de lijn Utrecht-Amersfoort. Rond 1929 verhuisde het gezin naar de Gasthuisstraat in Geertruidenberg. Janus ging werken op het station Geertruidenberg waar G. Arends stationschef (3e klasse) was. G. Arends was stationschef te Geertruidenberg  16-06-1928 tot 01-05-1931.

De volgende stationschef werd J.A. Douwes, en wel van 01-05-1931-01-02-1936. Daarna kwam G. Broersma van 01-02-1936 tot 01-07-1939, gevolgd door R.L. de Vries van 01-08-1939 tot 01-05-1940. Allen waren zij stationschef 3e klasse.

In de periode 1938-1940 werd het emplacement in Geertruidenberg aanzienlijk vereenvoudigd. Veel sporen en dubbele Engelse wissels verdwenen.

De laatste stationschef van Geertruidenberg was H.H. Weulen Kranenberg; hij was  stationschef 4e klasse en wel van van 01-05-1940 tot 31-07-1950. 

Janus was een spoorwegman pur sang. Hij maakte de 40 jaar bij SS en NS vol en ging in 1955 op 61 jarige leeftijd met pensioen. Lang heeft hij van zijn pensioen niet genoten. Hij wordt overreden door een auto en sterft op 20 oktober 1960 te Breda aan de gevolgen daarvan.

Riek weet te vertellen dat haar vader door avondstudie zich in het Seinwezen en het bedienen van de Morse-telegraaf heeft verdiept. Op de Langstraatspoorlijn vond in die tijd de aankondiging van treinen vanaf de beginstations naar de aan de lijn gelegen stations plaats d.m.v. de Morse-telegraaf.
Dit systeem was in 1939 nog in gebruik, en ik ga er maar van uit dat dit tot 1 augustus 1950 het geval is geweest.
Het gezin van Lieshout breidde zich uit, en men moest omzien naar een grotere locatie. Dit werd het voormalige pand van dokter Berkestein in de Brandestraat. 

In 1940 verhuisde men naar Zuidwal 23, schuin tegenover spoorman A. Adriaanse. Als in 1944 de spoorwegstaking wordt uitgeroepen staakt ook Janus zijn werkzaamheden en duikt hij onder bij de familie Schreuder in de Koestraat. Voor de deelname aan de staking heeft hij nog een oorkonde ontvangen.

Voorafgaande aan de bevrijding van Geertruidenberg begin november 1944 blazen de Duitsers beide bruggen over de Donge op. De explosie is zo heftig dat de familie van Lieshout zelfs stukken van de brug en 4 granaten terug vindt in hun woning aan de Zuidwal. Het pand is niet meer bewoonbaar en de familie neemt haar intrek in de kantoorruimte van het station, d.w.z. achter het loket. Riek denkt dat ze daar ongeveer een maand vertoefd hebben. 's Avonds ging men slapen bij slager van Es in de Koestraat.
Men verhuisde daarna naar een huis in de Brandestraat achter de winkel van de familie van Gelder. Meester Woutje Mulders heeft e.e.a. geregeld.  Op 10 mei 1945 vieren daar Janus en Kee hun 25-jarig huwelijksfeest. Het moet een uitbundig feest geweest zijn. Vrienden en kennissen zorgden o.a. voor eten en drinken. De volgende locatie wordt Emmaweg 1. Na juli 1950 verhuisde men naar het bovengedeelte van station Geertruidenberg. Toon van der Pluijm komt op Emmaweg 1 te wonen. De kat van de familie van Lieshout, die niet kan aarden op het station, blijft bij Toon en Lieneke van der Pluijm-van Maaswaal wonen.

Riek vertelde dat toen ze in 1950 slaagde voor haar coupeuse examen en met haar  diploma thuiskwam als cadeau een doos met verhuisspullen in de hand gedrukt kreeg om over te brengen naar het station.

De laatste stationschef is na het opheffen van het reizigersvervoer overgeplaatst. Janus is nooit stationschef geweest, en blijft nog 5 jaar lang de baas over een station waar de wachtkamers, de retirade en de loketruimte gesloten zijn.

Al is het passagiersvervoer verdwenen, het goederenvervoer is nog aanzienlijk. Elke dag komt er rond 12.00 uur vanuit Lage Zwaluwe een WD-locomotief met heel veel wagons aan de haak het station Geertruidenberg binnenlopen.

Dit goederenvervoer bracht heel wat bedrijvigheid met zich mee op het station. Er was nog genoeg volk op het station te vinden, maar het bekende ratelgeluid dat men hoorde bij het bedienen van wissels en seinen was verstomd.

Er wordt gerangeerd, en de wagons gaan naar de Tankfabriek, De Juin, Dongecentrale en Amercentrale. Ook de fietsenhandel van Piet Stoop aan de Stationsweg krijgt zijn mooie fietsen aangevoerd per spoor. Mijn moeder had een fiets besteld bij Piet maar die bleek bij aankomst beschadigd te zijn aan de kettingkast. Piet zei tegen mijn moeder dat de fiets tijdens het transport was omgevallen. Kan gebeuren zei mijn moeder maar trek er maar wat florijnen van de prijs af.
Janus was een man van uur en tijd. Zo werden in die tijd ook fietsen en andere losse goederen ter vervoer aangeboden. Dat kon tot een bepaalde tijd. Als men na sluitingstijd kwam nam Janus de goederen niet meer in ontvangst. Zijn vrouw zei dan tegen Janus dat hij niet moeilijk moest doen. Janus was echter niet te vermurwen.
In 1955 trouwde Riek vanuit het station met Toon Waas. Datzelfde jaar verhuist Janus naar de Graaf Willem I straat in Geertruidenberg.
De spoorweghaven was voor Riek geen onbekend terrein. In 1950 kende de spoorweghaven nog eb en vloed. Jos van Lieshout en Toon Waas, haar latere man, vonden bij eb in de spoorweghaven een houten roeiboot. Het bootje had oorlogsschade opgelopen, en gezamenlijk hebben ze toen het bootje geborgen en opgeknapt.
Het stel ging dus lekker varen vanuit de spoorweghaven naar de Donge. Een keer schatte men het tij verkeerd in. Het was eb en men kon niet meer in de spoorweghaven komen. Jos lukte het nog door diverse capriolen uit te halen aan land te geraken, maar Toon bleef achter. Janus ging 's nachts verschillende malen zijn bed uit om te informeren of Toon per ongeluk niet uit de boot was gestapt.
Toen Riek op het station woonde lag alleen Giel Oome in de spoorweghaven met zijn ark. Zwemmen deed Riek ook graag. De meeste Bergenaren moesten via de Koestraat, wachtpost 12 (Spitters) en een laan met bomen (best lang zegt Riek) naar de ingang van de zwemkom lopen. Riek kon gewoon het emplacement oversteken en was dus snel met haar gebreide badpak in het zwembad te vinden. Van Meeuwen had een jachtterrein tussen de spoorweghaven en de Donge. Peridon had een steenkolenhandel(?) met laadperron op het emplacement. Riek heeft ook gezien, dat er ís middags treinen vol afval vanuit Lage Zwaluwe naar Geertruidenberg kwamen. De wagons werden vervolgens leeggekieperd in het terrein buiten de sluitwal.

Momenteel, 2007, vindt er een bodemsanering van de Spoorhaven e.o. plaats. Het oude spoorwegterrein was gewoon een reguliere vuilstort.
Als je ziet wat er allemaal uit de grond wordt gehaald in het kader van de sanering! Het station van Geertruidenberg, de goederenloods, het station van Waalwijk en de katholieke kerk van Geertruidenberg zijn weer uit de grond gehaald en zijn door de puinbreker gegaan. Het levert thans metershoge bergen gebroken puin op.

Jos de Wit:

Jos komt uit een echte spoorwegfamilie. Zijn broer Bert, zijn vader en hijzelf werkten voor langere dan wel kortere tijd bij de Staatsspoorwegen later, in 1937, omgedoopt tot de NS.

Zijn vader en broer Bert maakten de 40 jaar bij de NS vol. De vader van Jos was lijnwerker op het traject Baardwijksche Steeg (RKC stadion)-Nieuwkuijk. Bert zocht zijn heil in de Randstad en was gestationeerd op het station Dordrecht. De vader van Jos wist het tot ploegbaas te brengen.

Jos verhuisde, toen hij 3 jaar was,  rond 1925/1926, naar wachtpost 31. Als er post binnenkwam voor de familie was had die steevast het adres wachtpost 31.  

Hij werkte van 1942-1945 bij de NS als stationsbediende. ís Morgens werkte hij op het station Vrijhoeve-Capelle en ís middags kon men hem vinden op het station Drunen=Heusden.

Op het station Drunen=Heusden werkte Jos o.a. met de stationsbedienden Mandemakers en Van Dungen. Hij beheerde er o.a. de fietsenstalling, die zo groot was dat zelfs de goederenloods er te klein voor was. Er was een groot vervoersaanbod in Drunen=Heusden, en daarom had Jos soms werkdagen van 07.00 uur tot 20.30 uur. Die lange werkdagen echter weerhielden Jos er niet van een cursus Seintoestellen, geen Seinwezen heeft hij mij gezegd,  in Den Bosch te volgen. Bij de NS kende men in die tijd banen zoals lijnassistenten,  stationsambtenaren, haltechefs (Vercruijsen) en stationschefs  (Kouters in Waalwijk).

Voor Vercruijsen waren Hendriks en nog eerder Priem bewoners van het station Drunen=Heusden. Toen op 31 juli 1950 het personenvervoer op de Langstraatspoorlijn werd gestaakt, werkte Vercruijsen al niet meer bij de NS.

Het station Drunen=Heusden had geen stationschef; alleen Waalwijk en Geertruidenberg hadden een stationschef. Tijdens de beschietingen in het najaar van 1944 werd het station Drunen=Heusden zwaar beschadigd. Vanuit Lage Zwaluwe werden arbeiders met gereedschap maar zonder materiaal naar Drunen=Heusden gestuurd. Jos heeft toen maar met anderen het station provisorisch hersteld. Ook het oliehok verdween in die periode.

Het 2e perron van Drunen-Heusden was bestraat met klinkers. Toen de bruggen over de Baardwijksche Overlaat in 1945 werden vervangen door een dijk kwamen de arbeiders aan dat project ís avonds hun dorst lessen in het cafe dat nog steeds (onder) bij wachtpost 30 staat. 

In 1937 vestigde zich Lips te Drunen. Naast scheepsschroeven werd in de oorlog heel veel groente, soms wel 5 wagons per dag, via de veiling in Drunen en het station Drunen=Heusden naar Duitsland verzonden. Jos was soms  treinconducteur op de lijn, want als de reguliere conducteur uitviel belde de stationschef van Waalwijk (Kouters) op met de vraag of Jos niet wilde invallen.

De reizigerswagons, zeker die van de 3e klasse, waren zeer eenvoudig. De zitplaatsen bestonden uit lattenbanken. Er reed wel een rijtuig voorzien van een wc mee.

Heel veel vertegenwoordigers in schoenen maakten gebruik van de trein. Jannie, de vrouw van Jos, weet te vertellen dat die vertegenwoordigers, wanneer ze ís morgens met de trein naar school in Den Bosch ging, al aan het kaarten waren.

Op het traject, dat voor Jos zo bekend is, zijn ook veel ongelukken gebeurd. Zo liep een groenteboer uit Elshout, dhr. Krol, onder de trein. De broer van Jos mocht de restanten opruimen. Er waren ook personen die graag de trein op snelheid uitdaagden. Zo liep het fataal af voor de waaghals, die dacht op zijn motorfiets de overweg eerder te kunnen passeren dan de locomotief. De trein was hem voor, en zo reed de waaghals zich tegen de trein te pletter.

Jos vertelt verder, dat er nogal wat kinderen uit Elshout onderwijs volgden in Drunen zoals b.v. de kinderen van de (here)boer Vermeer. De moeder van Jos kon men al voor 1942 om 16.00 uur bij wachtpost 31 vinden ten einde de kinderen een veilige overgang naar  Elshout te garanderen. Wat wachtpost 30 betreft vertelt  Jos dat daar Jo van Valen overwegwachteres was.   

Jos heeft na zijn avontuur bij NS jarenlang een sigarenmagazijn gehad in de Wolfshoek vlakbij wachtpost 32. Hij keek o.a. uit op villa Anna, Tinus van Iersel, van den Hoven (schikdraat) en bakker van Delft.

In 1966 vertrekt Jos, die naast Bertus van Engelen woonde en ook naar Drunen vertrok,  i.v.m. de aanleg van de A59 naar Drunen. De Wolfshoek, Badhuisstraat en Pleune Wiel gingen er een stuk anders uitzien. 


Toon Spitters:

De vader van Toon Spitters, Jan, gaf leiding aan de onderhoudsploeg die als werkterrein de westelijke Langstraat had. De moeder van Antoon bediende 27 jaar lang de overweg bij wachtpost 12. Jan Spitters legde in 1949 met zijn ploeg het raccordement naar de nieuwe Amercentrale aan. Jan Spitters had een motorlorrie waarmee hij de lijn afstruinde. De motorlorrie had als domicilie het emplacement van Geertruidenberg. Jan werkte ook samen met mensen van bouwbedrijf Schapers-de Bont v.w.b. het onderhoud van de hoofdlijn.
De Amercentrale werd geopend in 1951. Ik was er met mijn klas ook bij. In 1951 werd mijn klas met dhr. van Onzenoort afgemarcheerd naar de Amercentrale. Ik verwonderde mij over het zo mooi in de stenen gelegde dubbelspoor, en de bands die optraden. Ik had nog nooit een tamboer maitre gezien, laat staan eentje van mijn eigen leeftijd.

Frans Pulles:
Frans heeft meer dan 23 jaar gewoond in wachtpost 33 op de z.g.n. Kuikse Heide met als huisnummer C.66.
Het betreft de periode 1934 t/m 1957. Frans woonde er vanaf zijn 2e t/m zijn 25e levensjaar. Zijn hele jeugd, met de nodige streken erbij, bracht Frans dus door op wachtpost 33.
De buurt in de omgeving van wachtpost 33 bestond uit een zevental boerengezinnen; meestal hadden ze 4 koeien, 3 varkens, 20 kippen en wat boomgaard en 1.5 ha grond. De gezinsgrootte varieerde van drie tot wel 14 kinderen; ergo: veel armoede.
De vader van Frans heeft nooit bij het spoor gewerkt. Toen Frans, zijn vader en moeder in wachtpost 33 kwamen wonen was zijn vader net 40 geworden. Hij kon toen niet meer voor een vaste baan bij de NS terecht. Zijn vader had daarvoor bij de B.B.A. (bij de tram) gewerkt als lijnwerker en had dus op spoorgebied voldoende ervaring (22 jaar dienst).
Frans was in zijn jeugd bevriend met een zoon van de stationschef van Drunen=Heusden.
Frans heeft in die tijd veel dingen beleefd die hem altijd zijn bijgebleven als een van zijn mooiste jeugdherinneringen
Veel treinreizen heeft Frans in die tijd niet gemaakt. Dat kostte alleen maar geld. Alles ging met de step of met een fiets met harde banden.
Naar Den Bosch of Waalwijk fietsen was maar heel gewoon ook toen Frans in Den Bosch op de LTS zat. Bij grote uitzondering (in de wintermaanden) mocht hij een jeugdkaart van een maand kopen; deze kostte fl. 9,50. Zijn vader had toen een weekloon van fl. 36,00 per week bij de Lips. Frans was toen tussen de 14-16 jaar, en kostte alleen maar geld. Hij mocht een vak leren, een uitdrukking van zijn moeder die hij wel honderd keer heeft gehoord als hij eens vroeg om b.v. meer zakgeld of een nieuwe fiets.
Frans was het enige kind in het gezin. Zijn  opvoeding was zodanig dat hij maar weinig ruimte had.
Wachtpost 33 lag zo ongeveer op de helft van de stations Drunen=Heusden en Vlijmen. De treinen reden daar met de hoogste snelheid, 60-70 km per uur, voorbij. Met enige regelmaat kwam in de buurt bij wachtpost 33 een trein tot stilstand ten gevolge van pech aan de loc zoals een lekkende stoomleiding of een gebroken koppelstang van de aandrijfwielen.
De reizigers en het personeel stapten bij mooi weer dan uit, en het duurde soms uren voordat er een andere loc kwam om de zaak af te slepen. Even bellen bij wachtpost 33 was er niet bij want ze hebben daar nooit telefoon, waterleiding, stroom of gas gehad.
Het begrip sjoemelen bestond ook al in dertiger en veertiger jaren. In de oorlogsjaren had de familie geen gebrek aan kolen. Een bevriende machinist uit Vlijmen, de Pranger, gooide met plezier wat kolen af bij de wachtpost 33 als hij passeerde.
De vader van Frans bracht hem als dank wat tabak, koffie en brandewijn.
De stationschef van Drunen=Heusden Cruyssen had een riante bewoning op de 1e en zolderverdieping van het stationsgebouw.
Er was daar een grote woonkamer, zitkamer, keuken en in totaal nog 4 slaapkamers. Alle kamers, ook de slaapkamers, hadden als verwarming een kolenkachel. Deze kachels behoorden tot de inventaris c.q. waren van NS. De gehele bewoning was gratis incl. water., elektra en telefoon.
Het inkomen van de chef is Frans onbekend, maar de chef vertelde wel eens tegen iemand dat het wel tweemaal zoveel was als wat een arbeider verdiende. Een arbeider verdiende in die tijd fl. 35,00 per week.
Het gezin van de chef kon onbeperkt vrij reizen 2e klasse.
Kolen heeft de stationschef nooit gekocht. De kolen werden gehaald uit de voorraad dienstkolen die bestemd was voor de verwarming van de stationsgebouwen.
Tijdens de bevrijding op 4 november 1944 werd wachtpost 33 zwaar beschadigd door twee granaatinslagen. M.b.v. planken en stutten heeft men het huis voor de helft bewoonbaar kunnen maken.
Pas in mei 1946 werd door NS het huis hersteld. De huishuur, fl. 2,50 per week, werd ook gedurende 20 maanden van onbewoonbaar zijn elke week door de chef opgehaald. Een van de jaarlijkse hoogtepunten was het huisbezoek door de Chef-opzichter van het traject, die woonde in een prachtige dienstvilla in Moerdijk. Zijn naam was Van Starkenburg-Stadhouwer.
Zijn komst werd al weken van tevoren aangekondigd met de juiste datum en tijd erbij. Iedereen was dan ook heel bezorgd en bang. Alles in huis en buiten moest er piekfijn uitzien volgens de regels van de huurwaarden en die waren zeer strikt. Enkele voorwaarden: beplanting om het huis mocht niet hoger zijn dan 60 cm dit i.v.m. goed uitzicht op de overweg. Het was verboden om duiven te houden en men mocht niks in- of uitwendig veranderen aan de woning. Het was zelfs verboden om spijkers in de muren te slaan aan de buitenzijde. De schoorstenen moesten jaarlijks worden geveegd door een erkende veger (de nota werd soms door de opzichter opgevraagd).
De dakgoten moesten brandschoon zijn (de opzichter ging via een laddertje kijken). Het hoogtepunt was als na de inspectie aan de bewoner gevraagd werd of hij of zij nog wensen had. Die waren er natuurlijk genoegen in alle onderdanigheid werden die dan aan de opzichter kenbaar gemaakt; een assistent schreef De opzichter vertrok weer met zijn motorlorry en of er nog iets aan de klachten gedaan zou worden werd na een half jaar per brief medegedeeld. Meestal was het weinig en werden de noodzakelijke reparaties maar door de bewoner zelf gedaan. Frans vertelt dat hij met vriendjes probeerde met kiezelstenen de meeste porceleinen isolatoren van de telegraafpalen stuk te gooien. Een andere hobby was om kiezelstenen op de rails te leggen. Deze knarsten dan met rook en lawaai kapot als er een trein over reed. Frans maakte een angstig avontuur mee wat die kiezels betreft. Hij is er toen maar mee gestopt. Wat was het geval? Omstreeks juli-augustus 1944 zou hij op een mooie zomeravond rond 22.00 uur met nog drie andere jongens flink wat stenen op de rails gaan leggen. Men had daartoe de rails ter hoogte van het huidige Land van Ooit uitgekozen c.q. een beboste omgeving. De laatste trein zou om 22.20 uur vanuit Drunen richting Den Bosch komen. Het was al behoorlijk schemerig en men had enkele meters kiezels gelegd. Men kroop toen op veilige afstand in het struikgewas om het een en andere af te wachten. Wat gebeurde? Even na 22.00 uur zagen de jongens vanuit richting Den Bosch een zware trein aankomen. Achteraf bleek dit een extra militaire trein te zijn. Meteen nadat de locomotief over de kiezels had gereden remde deze sterk af en kwam tot stilstand. De machinist vermoedde een aanslag op het spoor. Meteen sprongen er tientallen Duitsers met geweren uit de trein. De jongens zette het meteen op een vluchten en kwamen ongezien weg zij het met de nodige schrik en angst. Vanuit het raam van wachtpost 33 keek Frans toe wat er zoal gebeurde. De machinist en enkele soldaten klopten bij wachtpost 33 aan en vroegen Frans zijn ouders telefoon hadden en of zij niks vreemds hadden gezien. De moeder van Frans, die alleen thuis was, had natuurlijk niks gezien en Frans al helemaal niet. Pas vele jaren later heeft Frans dit geval bij zijn ouders opgebiecht. Tijdens de spoorwegstaking i september 1944 moest ook de haltechef van Drunen=Heusden onderduiken. Hij heeft toen 's nachts een paar keer geslapen in het houten schuurtje in een lege geitenstal.
In de strenge winter van 1947 mocht Frans met de trein naar de LTS in Den Bosch. Het was pure lol in de coupes met de meisjes. De wagons waren voorzien van aparte coupes met 6-8 zitplaatsen.
Op een gegeven moment zaten of lagen er wel 10 personen in de coupe. Ook in de bagagenetten lagen mensen. En maar zingen, stampen en de met meisjes spelen (kietelen) vertelt Frans. Enorme herrie dus. Tijdens een stop te Vlijmen kwam er bij Frans in de coupe een deftige heer zitten voorzien van hoed en leren jas. Men keek eerst wat vreemd maar men ging al spoedig verder met het vermaak. Vlak voor de stop in Drunen stond bovengenoemde heer op en liet een kaart zien met een gouden penning met daarop zijn naam. De man was van de spoorwegpolitie en heette Suikerbuik. De naam zorgde voor de nodige hilariteit. Het lachen verging de jongelui echter snel. De heer Suikerbuik nam alle jeugdkaarten in beslag. Voor Frans en nog een andere jongen was dat niet zo erg. Zij waren immers thuis maar een vijftal jongens uit Waalwijk en Waspik moest maar zien hoe ze thuiskwamen. Ze moesten de trein uit en te voet verder.
De volgende dag kreeg iedereen zijn kaart van de stationschef weer terug. Frans vertelde, dat ze na dit voorval wel wat rustiger waren geworden.
Frans weet nog veel meer te vertellen over de handel en wandel voorzien van anekdotes m.b.t. het spoorwegpersoneel. Aanvulling van de pagina volgt dus!
Als aanvulling op het verhaal van Frans vond ik een bericht uit De Stem van 26 januari 1949. Men heeft het dan over Ongewenste toestand in de personentrein Lage Zwaluwe. De KAJ werd van het navolgende feit in kennis gesteld. In een der wagons van de personentrein op het traject Lage Zwaluwe-Den Bosch is het licht regelmatig defect. 's Avonds en 's morgens wordt hiervan sterk misbruik gemaakt door mannelijke en vrouwelijke personen die naar en van hun werk reizen. Verzocht is deze trein voortaan op elk station te laten controleren (op wat?). In de wagons werd gezoend en gevoeld. In 2009 is er niks veranderd in de wagons word nog steeds gezoend en gevoeld al blijft wel het licht aan.

Op 16 februari 2009 had ik weer een interview met Frans in Drunen:

Sjaak Muller, een zoon van Dirk Muller, zat rond dezelfde tijd met Frans op dezelfde LTS in Den Bosch. Hij vertelde dat ook zijn maandtrajectkaart door dhr. Suikerbuik was ingenomen omdat deze hem er van verdacht met een sigaret een gaatje in de lambrisering van de coupe te hebben willen branden teneinde in de andere coupe naar meisjes te kunnen kijken.

Toen Frans op wp33 kwam te wonen waren perron en abri al lang verdwenen. In mei 1907 zijn perron en abri opgeruimd.

Frans bezocht de LTS in Den Bosch. Wanneer hij met de trein mocht reizen, dat was alleen in de wintermaanden, ging hij te voet of met de fiets naar station Drunen=Heusden. Frans was in het bezit van een speciale groene kaart welke hem toestemming gaf langs de spoorlijn te lopen of te fietsen. Het voeren van licht was verboden; dit kon de machinist in verwarring brengen. Men liep of fietste over het grintpaadje en de trein raasde je voorbij. Er zaten amper 2 meter tussen.

Het station Drunen=Heusden had 2 perrons; Drunen=Heusden kon daardoor als kruisingsstation fungeren.

Het kwam volgens Frans geregeld voor dat er in Drunen=Heusden gekruist werd en dat daardoor beide perrons in gebruik waren.

Meestal stopten de treinen bij het 1e perron. Bij wp32 in de Wolfshoek lag een wissel. Hier kwamen de perronlijnen samen. Het wissel is uitgenomen na sluiting van het personenvervoer.

Het 2e perron was bestraat met hele mooie steentjes. Er stonden langs de weg van wp32 naar het station prachtige lindebomen; tevens trof men er dat typische diagonale zwartwit hekwerk aan. Naast het station stond een retirade en daarnaast een schuurtje waar de schoppen, de bijlen en de kolen enz. werden bewaard.

Voorzover Frans weet was de 1e en 2e klasse wachtkamer (gezamenlijk) niet meer in gebruik. De wachtruimte werd gebruikt om pakjes, dozen e.d. op te slaan. In deze wachtkamer waren de zittingen langs de muur bekleed.

In de wachtkamer 3e klasse stonden 2 grote hoge kachels. De banken welke langs de muur bevestigd waren boden plaats aan minstens 50 personen. Frans zegt dat hij zowel tijdens als na de oorlog niet veel met de trein gereisd heeft. De trein was niet goedkoop. Zo kostte een maandkaart 9 gulden en dan te bedenken dat het weekloon van vader niet meer dan 35 gulden was. Alleen tijdens de wintermaanden gerekend vanaf begin november mocht hij met de trein. De rest van het jaar werd het fietswerk. Dus hoogstens 2-3 maandkaarten konden er af.

De LTS welke Frans bezocht was gelegen aan het Kardinaal van Rossumplein in Den Bosch. Vanaf het station in Den Bosch moest er daarna nog een dik kwartier gelopen, Frans zei rennen, worden.

In de tijd dat Frans met de trein naar school ging was dhr. Cruyssen haltechef op het station Drunen=Heusden.

Hij bewoonde met zijn vrouw en groot gezin het grote station. Op de begane grond bevonden zich de dienstgebouwen. Om te wonen had men de 1e etage en de zolder ter beschikking. Op de 1e etage bevonden zich een grote woonkamer, een zitkamer en een keuken; daarnaast waren er nog 4 slaapkamers allemaal voorzien van een kolenkachel.

Verder waren er boven nog 3 slaapkamers waar het ís winters niet fijn vertoeven was volgens Frans die wel eens op het station logeerde bij vriendje Henk.

Frans ging in Den Bosch naar de LTS omdat daar de opleiding autotechniek kon worden gevolgd. Ook het vak van meubelmaker en metselaar kon men alleen in Den Bosch leren. Er zaten bij Frans dus jongens uit Raamsdonksveer en Waspik in de trein naar Den Bosch.

Frans vertelt dat, om de haltechef te ontlasten v.w.b. de avonddienst en morgendienst (van 06.00-23.00), vervangers werden ingezet. Jos de Wit was ook een vervanger. Na de oorlog waren er op het station twee vervangers uit Maastricht gestationeerd. De vervangers kwamen meestal uit Waalwijk of Den Bosch.

Frans weet nog een verhaal over de vervanger B., hij kwam uit Den Bosch, te vertellen. Nadat de laatste trein rond 11.30 vanuit Drunen naar Den Bosch was vertrokken en hij de spoorbomen bij wp32 aan de Wolfshoek had neergelaten en vervolgens had opgehaald moest hij per fiets naar Den Bosch toe.

Deze man had daar echter geen trek in. Hij sloot een deal met Pieter van S. van het stationskoffiehuis dat tegenover het station lag.

B. zou het station afsluiten en Pieter zou voor het vertrek van de laatste trein richting Den Bosch de bomen neerlaten en ophalen. Zo kon de heer B.  op de trein richting Den Bosch stappen en zich een fietstocht naar Den Bosch besparen.

Op een gegeven moment kwam men achter de handel en wandel van de heer B. Zijn deal met Pieter van S. kwam hem op een berisping te staan. Voortaan toch maar weer met de fiets naar de Hertogstad.

Bepaalde machinisten en stokers waren goede bekenden van de ouders van Frans. Zo gooide een machinist, zijn bijnaam was de Pranger, uit Vlijmen met plezier wat kolen af bij wp33 als hij die passeerde. Frans ging dan op de step met zijn moeder de kolen rapen.

Als tegenprestatie nam zijn moeder op gezette tijd een halve liter jenever, in een onopvallende verpakking, uit Den Bosch mee welke Frans op wp39 moest bezorgen. Als beloning kreeg Frans een appel. De week daarop lag er weer volop cokes in de buurt van wp33.

Toen het op 31 juli 1950 was gedaan met het personenvervoer is Cruyssen vroegtijdig met pensioen gegaan. Hij ging Hoover wasmachines verhuren. Volgens Frans is Cruyssen niet oud geworden. Toen hij stierf waren alle kinderen al uit huis. Zijn vrouw bleef in het station wonen en ging kostgangers houden. Dit waren mensen die bij Lips werkten.

Slechts een van de kinderen van de haltechef bleef het spoor getrouw; dat was Antoon. Later is hij overgeplaatst naar een post in de omgeving van Lage Zwaluwe. Piet, zijn jongste zoon, heeft nog op de naoorlogse spoorbussen gereden. Piet bestuurde later ook de z.g.n. bussen met oplegger. Dat waren de bekende Crossly bussen met Rolls Royce motoren. Als Frans met de bus ging dan probeerde hij voorin een plaatsje te bemachtigen. Voorin had men vanuit de ophoging goed zicht op het reilen en zeilen binnen de cabine. De snelheid lag meestal rond de 60 km/uur.

Frans weet te vertellen dat het met de tram door de Langstraat in 1938 gedaan was. Aanvankelijk had men tijdens de aanleg het tramspoor met de spoorlijn bij wp30 willen laten kruisen. Tijdens proefritten bleek dat bocht voor de tram te steil en te krap was. Men heeft de trambaan toen onder een overspanning van de brug over de Baardwijkse Overlaat gelegd. Deze enkele overspanning ligt er nog steeds en maakt deel uit van het fietspad. Nadat de tram onder de overspanning was doorgereden reed ze richting Baardwijk en passeerde ze de brug over het Afwateringskanaal welke voorzien was van tramrails. In 1944 werd die brug opgeblazen en vervangen door een Bailey-brug (1944). Een echte rammelkast.

De vader van Frans heeft 18 jaar bij de tram gewerkt; deze werkzaamheden bestonden o.a. uit het spooronderhoud van het traject Drunen-Kaatsheuvel. Opheffing van de tram in 1938 betekende voor zijn vader ontslag c.q. het einde van zijn dienstverband bij de BBA. Hij ontving 500 gulden voor de afkoop van pensioenrechten.

Er komen nog meer mensen aan het woord zoals Dinie Kieboom-Meulerik uit Raamsdonksveer wiens vader in de veertiger jaren haltechef was te Raamsdonksveer.   

 Homepage

 

 

 
 
Vragen of opmerkingen over deze website kunt u e-mailen aan de webmaster:mailto:j.s.m.van.velthoven@planet.nl