Mijn herinneringen aan de Langstraatspoorlijn

 

 
 

Op deze pagina vindt u mijn herinneringen aan de Langstraatspoorlijn. Deze herinneringen gaan terug tot 1947. Ik was toen 3 jaar.

Het verhaal begint met mijn opa van moederskant. Mijn opa Sjaan Berende een boer uit Geertruidenberg, overleden in 1935,  ging elke woensdagmorgen met de (markt)trein naar de Bossche markt. Om te voorkomen dat hij de trein zou missen nam hij een half uur voor vertrek plaats in de 3e klasse wachtkamer van het station Geertruidenberg. Ver hoefde mijn opa niet te lopen want zijn boerderij lag op niet meer dan 200 meter van het station. Zijn vrouw en mijn oma Jans Stael, geboren in 1876 te Hank, maakte veelvuldig gebruik van de Zuiderstoomtram om inkopen in Oosterhout te doen. Wanneer zij dan weer met de tram terug was in Geertruidenberg bleef ze rustig zitten totdat alle passagiers waren uitgestapt. De conducteur zei dan tegen haar dat het tijd was om de tram te verlaten. Oma zei dan tegen hem in haar Hanks dialect: "Ik rij er m'n centen schoon uit." Daar kon de conducteur het mee doen.
Als oma ergens naar toe moest en ze vond de afstand niet al te groot dan zei ze dat de afstand geen Bossche reis was of te wel de afstand Geertruidenberg-Den Bosch vond ze groot.

Veel hebben mijn opa en oma niet gereisd. Het was Oosterhout of de veemarkt in Den Bosch en bij hoge uitzondering ging oma op bedevaart naar Kevelaer. Als ze op bedevaart ging deed ze dat samen met haar oudere zus Margriet die getrouwd was met Piet van der Ven. Ze woonden in buurtschap de Helkant onder Hooge Zwaluwe. Margriet stapte dan op de trein in Hooge Zwaluwe en oma deed dat in Geertruidenberg. Samen spoorden ze dan naar Den Bosch. In Den Bosch stond de bedevaarttrein naar Kevelaer gereed. De vrouwen zaten in de voorste rijtuigen en de mannen in de achterste rijtuigen. Via Boxtel, Gennep en Goch arriveerde men in Kevelaer. In Kevelaer bleven de dames een nacht over.

Het was gebruikelijk dat, als men ter bedevaart naar Kevelaer ging, een gedachtenis (Germanisme) meebracht. Tegenwoordig noemt men dat een souvenir. Die gedachtenis bestond uit een cadeautje in de vorm van een kaars, prentje of een beeldje. Tante Margriet, mijn oudtante, vertelde graag over de bedevaart met haar zus. Zij zei dan: "In Kevelaer heb ik aan u gedacht en dit als gedachtenis voor u meegebracht."

Ze zijn in 1932 samen voor het laatst ter bedevaart naar Kevelaer gegaan. Zus Margriet wilde niet meer met de trein reizen. Haar man Piet van der Ven werd op 3 april 1933 rond 8.45 uur vermorzeld door de sneltrein komende vanuit Geertruidenberg. Tante Margriet heeft daarna de boerderij verkocht en ging wonen bij haar zus Jans in de Koestraat. Geen leuke herinnering aan de Langstraatspoorlijn lijkt me.

Ook mijn vader, geboren in 1911 te Hank,  ging ter bedevaart naar Kevelaer. Elk jaar vertrok vanuit Heusden een processie naar Kevelaer. Dus ging mijn vader eerst naar het station Drunen=Heusden en daarna met de trein naar Den Bosch. Vanuit Den Bosch ging men met de trein richting Boxtel-Gennep-Goch-Kevelaer.

In 1945 gingen mijn moeder en ik wonen op de boerderij van  oma Berende in de Koestraat. 

Toen de Langstraatspoorlijn hersteld was reden er aanvankelijk alleen goederentreinen op de lijn. Het betreft hier zware kolentreinen getrokken door een of zelfs twee WD-machines met soms wel meer dan 60  wagons aan de haak, die vanuit Den Bosch over Geertruidenberg naar Rotterdam reden. Die kolentreinen passeerden de spoorbrug over de rivier de Donge, om vervolgens langs perron 2 in Geertruidenberg te worden opgesteld (perron 1 was gereserveerd voor personentreinen). Vervolgens werden enkele wagons t.b.v. de Dongecentrale losgekoppeld. Daarna reed de trein verder richting Lage Zwaluwe. Mijn eerste herinneringen aan de Langstraatspoorlijn betreffen bovengenoemde kolentreinen. Ingaande 7 oktober 1947 werd het personenvervoer over de Langstraatspoorlijn gereactiveerd.

Elk jaar zo rond eind oktober begin november startte de suikerbietencampagne in de suikerfabriek Statendam gelegen aan de Donge. De fabriek leverde pulp als bijproduct wat als veevoer diende. Die pulp werd dan door mijn ooms met kar en paard naar de pulpkuil op de boerderij in de Koestraat gereden. In de kuil moest de pulp worden aangetrapt. Ik mocht dan meehelpen dus lekker 's avonds met mijn ooms pulptrappen, en natuurlijk wat later naar bed. De kuil werd steeds voller en uiteindelijk stond je een meter of twee hoger. Ik had zo een prachtig uitzicht op het spoorwegemplacement van Geertruidenberg en de diverse treinbewegingen in de late avond.
 

Wanneer ik met mijn moeder met de trein naar Waalwijk of Den Bosch reisde, dat was niet zo frequent,  moest er natuurlijk eerst een kaartje, 3e klasse natuurlijk, gekocht worden. Wanneer men het station binnenkwam zag men in de stationshal grote zwarte tegels liggen. Het voorfront van het plaatskaartenbureau en de rest van het houtwerk waren groen geverfd. In het voorfront zat een praatraampje met een schuiflade van bruin hout. De kaartjes hingen in een kaartjeskast. Rechts naast het plaatskaartenbureau bevond zich achter een deur het bagagebureau, en links, ook achter een deur, was het bureau van de stationschef te vinden. Links in de stationshal kon men via een deur de wachtkamer 1e en 2e klasse bereiken. In die wachtkamer bevond zich rechts een schoorsteen  met een grote kolenkachel. Tegenover de kachel stond een bank. Via een van de twee deuren kon men op het perron komen. Rechts in de stationshal kon men via een deur de wachtkamer 3e klasse bereiken.
Links in die wachtkamer was een ook schoorsteenaansluiting met een grote kolenkachel en tegenover die kachel stond een bank. Via een van de drie deuren kon men op het perron komen. De wachtkamers waren hoog en voorzien van een houten vloer die veel lawaai maakte als je er op sprong. Mijn moeder verbood mij dat maar wat doet een kind van 5 jaar?  Reclame vond men ook in de wachtkamer en op het station. Volgens mij betrof het o.a. reclame voor een levensverzekering (RVS) en zeer oude genever. Iets van Oude Delft herinner ik me ook nog wel. 

Geertruidenberg had het mooiste station maar ook het mooiste negengebouw. Dit nevengebouw, de retirade, was voorzien van kantelen. Tussen dit nevengebouw en het station wapperde wanneer er iets te vieren viel de Nederlandse driekleur.

Ook wat de goederenloods betreft vormde Geertruidenberg een uitzondering. De goederenloods lag niet, zoals bij de andere stations, in het verlengde van het station. De goederenloods was gesitueerd midden op het emplacement.

In 1938 had het emplacement zijn grootste omvang. Gedurende de periode 22 september-20 oktober 1939 werd het emplacement aanzienlijk vereenvoudigd.  Zo werden veel sporen zoals het kopspoor aan de linkerzijde (richting Raamsdonksveer); daarnaast verdwenen alle dubbele Engelse wissels.  

Voor zover ik mij kan herinneren had het station van Geertruidenberg twee perrons, t.w. perron 1 een perron dat verbonden was met het station en perron 2, een eilandperron, dat vanaf perron 1 via een verzonken perronwand en een bielsbevloering was te bereiken. Dit eilandperron was betegeld. Op het eilandperron lag dikwijls een setje wagonstoppers c.q. remschoenen om te voorkomen dat afgerangeerd materiaal "op de loop ging". Volgens mij werd perron 2 nooit door personentreinen aangedaan. Zowel voor de richting Lage Zwaluwe als Den Bosch werd alleen perron 1 gebruikt. Alhoewel station Waalwijk dezelfde perronstructuur had als Geertruidenberg werd hier langs perron 2 wel gestopt door treinen komende vanuit Lage Zwaluwe.

Op het station In Geertruidenberg was op perron 1 voor de bovengenoemde vereenvoudiging van 1938 zowel aan de linker- als rechterzijde een kopspoor met stootblok aanwezig. Tijdens die vereenvoudiging werd o.a. het kopspoor aan de linkerzijde richting Den Bosch opgebroken.

Ik weet nog dat het kopspoor aan de rechterzijde (richting Made) aanwezig was. Dit spoor werd weinig of niet gebruikt en was overwoekerd door gras. In 1950 heb ik gezien hoe men het stootblok uitgroef en het kopspoor opbrak.

Op perron 1 van Geertruidenberg bevond zich een hendelinrichting met trekdraden (dubbele trekking) om de seinen en wissels te bedienen. Volgens mij stond er op het emplacement van Geertruidenberg slechts een sein en wel ter hoogte van de goederenloods t.b.v. de binnenkomende- en uitgaande treinen. Verder liepen er vanaf het station in Geertruidenberg twee trekdraden langs de noordzijde van de twee aanbruggen naar het westelijk klinkmechanisme. Een identieke situatie trof men aan te Raamsdonksveer=Keizersdijk. Vanaf deze halte liepen ten noorden twee trekdraden richting klinkmechanisme op de oostelijke pijler. Wanneer de spoorbrug goed was opgezet zorgden bovengenoemde klinkmechanismen er voor dat de trekdraden richting Geertruidenberg en richting Raamsdonksveer werden aangetrokken zodat men in beide plaatsen er zeker van kon zijn dat de brug te berijden was. Wanneer de brug werd geopend kreeg men zowel in Geertruidenberg als in Raamsdonksveer via de de trekdraden de melding dat de brug niet te berijden was. Voor een verdere uiteenzetting v.w.b. de beveiliging wordt verwezen naar de HTML-pagina Traject Geertruidenberg-Raamsdonksveer.

Men kon vanaf perron 1 via een afstapje en een bielsbevloering naar de lorrieloods lopen. De lorrie was een groen motorwagentje t.b.v. het vervoer van wegwerkers. Eerst werd een frame voorzien van rails op een draaipunt in de bevloering van spoor 4 geplaatst.
De lorrie werd op dat frame geduwd en 90 graden in de linker dan wel rechter richting gedraaid om vervolgens op spoor 4 zijn weg te vervolgen.
Voorbij wachtpost 12 lag een wissel. Het rechtdoorgaande spoor  liep langs perron 2 rechtstreeks richting spoorbrug. In het linksuitgaande spoor lag weer een wissel. Linksuitgaand liep een spoor richting het stootblok bij de retirade. Volgens mij beschikte alleen het station in  Geertruidenberg over een retirade met kantelen. Rechtdoorgaand liep een spoor langs perron 1. Iets voor wachtpost 13 sloot dit spoor via een wissel weer aan op het spoor langs perron 2.

Zoals ik boven reeds vermeld heb gingen mijn moeder en ik toen het personenvervoer op de Langstraatspoorlijn weer hervat was shoppen in Waalwijk en/of Den Bosch. Meestal werd gestart in Waalwijk. Kon moeder niet "slagen" in Waalwijk dan werd de trein richting Den Bosch genomen. 

Als ik dan op perron 1 stond, moeder bleef in de wachtkamer zitten  moest ik haar waarschuwen als de trein er aan kwam. Ik zag de trein richting Den Bosch al in de verte bij wachtpost 12 aankomen.  De trein bestond meestal uit een WD-locomotief en 3 rijtuigen t.w. een bagagerijtuigen en 2 personenrijtuigen waarvan een 2e klasse. De rijtuigen waren voorzien van treeplanken en het was een hele klim om in de coupe te geraken. Een wc was volgens mij niet aanwezig. Ik herinner mij de coupe-rijtuigen met tussenschotten over de volle breedte. Men kon niet door het rijtuig lopen. Elke coupe had een eigen deur aan elke zijde van het rijtuig. De banken in een coupe stonden tegenover elkaar. In de trein reed ook een conducteur mee. Ik heb me laten vertellen die de kaartjes controleerde door tijdens de rit via de treeplank langs de gehele lengte van het rijtuig van coupe naar coupe te lopen. Bij elke halte wisselde hij van rijtuig.      

Voor dat shoppen waren we de hele dag op pad. We hadden 's morgens de trein van 10.41 uit Geertruidenberg naar Waalwijk genomen, en als we dan uiteindelijk toch nog met de trein vanuit Waalwijk naar Den Bosch gingen werd de terugreis naar Den Berg 's avonds meestal per BBA bus gemaakt. Dit kwam omdat mijn moeder de trein van 17.21 te vroeg vond en de trein van 21.21 te laat. Wij dus met lijn 61 (de latere BBA lijn 22) terug naar Geertruidenberg. De busrit duurde 1 uur en 10 minuten. De treinreis daarentegen minder dan 1 uur, en was bovendien aanzienlijk comfortabeler dan het geslinger door de Langstraat met de bus ook al had de trein volgens sommigen "vierkaante" wielen. De bus vertrok vanaf het busstation bij het station Den Bosch, dat lag als men uit het station kwam aan de rechterkant, en reed vervolgens onder de twee spoorwegviaducten door richting Vlijmen. In Vlijmen werd gestopt bij de fabriek van Van Wagenberg-Festen. De volgende halte was Drunen Tramremise. Daarna kwamen Waalwijk Station en Capelle-Vrijhoeve Labbegat. We gingen dan verder richting 's Grevelduin Capelle Brug en Waspik Kerkstraat. Na Raamsdonk Cafe Koppelpaarden en Raamsdonksveer Station kwamen we bij het station van Geertruidenberg aan.
Het kwam ook voor dat we op een woensdagmiddag met de trein van 14.31 naar Waalwijk gingen om gebak te kopen. Mijn moeder was een echte zoetekauw en voor vers slagroomgebak moest je echt in Waalwijk zijn vond ze. Voor (vierkante) appelflappen kon men altijd nog bij bakker Verschuuren op de Markt terecht. gespoord.
 

Een oom en tante van vaderskant, zij woonden in het buurtschap Peerenboom te Hank, maakten frequent gebruik maakten van de Langstraatspoorlijn. Mijn tante ging reisde naar Den Bosch om ellegoed te kopen op de markt daar. Haar oudste broer, die toeziend voogd over mij was, bezocht regelmatig vergaderingen van het Waterschap in Dordrecht. Hij vertelde daar graag over. Hij had het dan over een jonkheer de Geer van Oudegein o.i.d. Hij reed net al mijn tante eerst op de fiets vanuit Hank naar de halte Raamsdonksveer=Keizersdijk. Daar werd de fiets gestald en een kaartje gekocht bij Bart Meulerik. In de vox populi was het dat men zijn fiets stalde en een kaartje kocht bij den Overweg.

Eind veertiger jaren ging ik op zondagmiddag met mijn moeder wandelen. Ik werd dan in een matrozenpakje gehesen (meestal gemaakt uit een oude jurk van een tante). In mijn rechterborstzak zat een fluitje dat bevestigd was een en wit koordje.

Ik had zowel een blauw als een roze matrozenpak. Ik heb me altijd afgevraagd hoe een moeder er toe kan komen om een kind in een roze matrozenpak te hijsen. Ik heb er een aversie tegen de kleur rose aan overgehouden. Tante Mieke, de vrouw van een broer van mijn moeder, maakte mijn matrozenpakjes. Op zondag ging ik dan met mijn moeder met de trein of achterop de fiets van Geertruidenberg naar Raamsdonk om bovengenoemde kleren te passen. Als we met de fiets gingen reden we vanuit Geertruidenberg via de Keizersdijk en Julianalaan en de Nieuwe Weg naar Raamsdonk.
 

Als we dan gingen wandelen probeerde ik zelf de wandelroute te bepalen. Dus vanuit de Koestraat door de Leerthouwerstraat richting station en daarna richting spoorbrug.

Voor de spoorbrug liep ik dan meestal naar het zwartwitte hek om te kijken of de spoorbrug gesloten was. Als dat het geval was wist ik dat er een trein in aantocht was. Ik mocht dan op de trein wachten en mijn moeder stond ondertussen te praten met Bergse en Veerse mensen. Op zondag liepen er heel wat mensen over de brug van Den Berg naar het Veer en terug.

Ik heb mijn moeder zelfs kunnen overhalen om op zondag een retourtje Geertruidenberg Raamsdonksveer te nemen.

Bij mijn oma op de boerderij werkte eind veertiger jaren iemand die uit Raamsdonksveer kwam. Volgens mij heette die man Van Seters. Hij wandelde elke zondagmorgen rond de mis van 10.00 naar zijn ouders in Raamsdonksveer. Met de Kerk had hij m.i. niet zoveel. Hij hield wel van treinen, en dat kwam mij goed uit. Ik wandelde met hem mee en als de trein vanuit Geertruidenberg richting het Veer vertrok probeerden wij, hardlopend, nog voor de trein bij de spoorbrug te zijn. Dat lukte altijd.

Om boodschappen te doen in Waalwijk of Den Bosch stapten wij ook wel eens  bij ome Manus op de trein. Ome Manus had een cafe bij de halte Raamsdonksveer=Keizersdijk.

Mijn moeder kocht eerst kaartjes bij Bart Meulerik. Daarna gingen we naar Ome Manus, en wachtten daar tot de trein kwam. Mijn moeder er dronk haar koffie en ik kreeg zelfs Ranja. Als we de trein over de spoorbrug zagen aankomen begaven ons naar het uit koolas en bielsen samengestelde perron van Bart Meulerik.

Bart had ondertussen zijn houten overwegbomen zonder traliewerk maar wel voorzien van reflectoren neergelaten. De locomotief passeerde sissend en in wolken van rook en stoom gehuld de overweg om vervolgens langs het perron te stoppen. Bart haalde de overwegbomen weer op. terwijl de conducteur ondertussen het instappen en uitstappen van de treinreizigers in goede banen leidde. Wij klommen vanaf het zeer lage perron in de coupe en spoorden richting Waalwijk.
 

In mei 1948 trouwde de jongste zus van mijn vader en ging in Eersel, een van de Acht Zaligheden, wonen. Tot 1956 gingen mijn moeder, ik en een nichtje van mij dat in Raamsdonk woonde tijdens de grote vakantie naar die tante. Bij mijn oma in de Koestraat was geen spoorboekje aanwezig. De buren van mijn oma t.w. Tom Scherer en zijn vrouw Tona hadden wel een spoorboekje want hun zoon Jan bezocht n.l. de Zeevaartschool in Dordrecht, en moest dus geregeld met de trein van Geertruidenberg naar Dordrecht. Als wij dus met de trein van Den Berg naar Den Bosch moesten liet mijn moeder mij bij Tona Scherer vragen wanneer de trein naar Den Bosch vertrok. Tona zei dan tegen mij in haar Bergs dialect dat we moesten 'moaken de we om half elf op het station ware'. De trein vertrok n.l. om 10.41. Anders moesten we met de bus of met de trein van half drie richting Den Bosch.

Ik terug naar mijn moeder en die vertelde mij dat ik haar moest waarschuwen als op de wekker, welke  bij mijn oma in de z.g.n. glazen kast stond, de kleine wijzer op tien en de grote wijzer helemaal onderaan stond. Zo heeft men mij reeds op jonge leeftijd de klok geleerd. Ik hield de wekker in de gaten en vond het op een bepaald tijd dat mijn moeder en ik met onze gele biezen koffers met daarom een bruine riem richting station gingen. Eindelijk liepen we dan met onze koffers via Koestraat en Leertouwerstraat (de Klim) richting station. Moeder kocht kaartjes aan het loket en ging in de wachtkamer 3e klasse zitten. Erg druk in de wachtkamer was het niet. E.e.a. zal wel verband gehouden hebben met het tijdstip waarop wij de trein namen. Gesproken werd er in de wachtkamer volop. Mijn moeder kende elke Bergenaar dus een gesprek was snel aangeknoopt. Steevast werd de vraag gesteld waar de reis naar toe ging. Mijn moeder zei dan dat ze naar een zuster van haar man ging die in Eersel achter Eindhoven woonde. Dat was een hele reis. Natuurlijk liet mijn moeder zich ook informeren over het laatste nieuws in Geertruidenberg. Is er nog nieuws in het Bergske? Er was natuurlijk altijd wel iemand die bij zijn vrouw was weggelopen of in een dronken bui de huisraad kort en klein had geslagen. Stationspersoneel trof je soms ook in de wachtkamer aan. Het ging er gemoedelijk aan toe. Natuurlijk vertelde van Lieshout tegen moeder dat ik zowat elke middag op het perron was te vinden. Van Lieshout zei dat hij mij verboden had te dicht bij de perronwand te komen. Ik had goed naar hem geluisterd. Ergo: gevaar was er niet. Nu waren er tussen 12.00 en 14.00 uur weinig doorgaande treinbewegingen op het station van Geertruidenberg. Wel stonden binnen mijn beleving hele lange goederentreinen op het tweede spoor opgesteld. Ja, er was heel wat bedrijvigheid in ons stadje. Op een gegeven moment had ik genoeg van de gesprekken in de wachtkamer en liep ik het perron op. Meneer van Lieshout stond meestal bij de hendelinrichting en zei ook nu tegen mij: "Zo Jantje ben je weer op eens op het station?". Gij wilt zeker later ook stationschef worden met zo'n mooie pet met rode bies? Nou, ik wilde liever machinist worden. Maar dat was latere zorg. Nu eerst met de stoomtrein naar Den Bosch en daarna met de electrische trein verder naar Eindhoven. Meneer van Lieshout was een aardige man, een spoorman pur sang. Tijd is tijd en gesloten is gesloten placht hij te zeggen. Dat hebben de mensen geweten die goederen ter vervoer kwamen aanbieden na sluitingstijd. Ik heb van zijn dochter zijn insigne en oorkonde gekregen i.v.m. zijn deelname aan de Spoorwegstaking van september 1944.

O een keer stond ik weer op het perron en zag hoe twee WD locomotieven aan elkaar gekoppeld werden. Meneer van Lieshout vertelde mij dat die ene locomotief ziek was en dus door die andere locomotief op sleeptouw moest worden genomen.  De volgende dag vertelde ik op de kleuterschool dit verhaal. Ik had nog nooit gehoord van locomotieven die in voorspan reden!

Van 1948-1950 gingen wij dus met de trein naar die tante in Eersel. Ik vond het een hele ervaring als ik met de trein over het draaigedeelte van de spoorbrug over de Donge reed. Als je dan richting Den Bosch ging en je keek rechts in de coupe uit het raam dan zag je onder de Donge stromen. Als ik het portier had opengedaan was ik zo in de rivier gevallen. Ik herinner me ook nog die harde 3e klasse lattenbanken en de hoge instap. De rijtuigen hadden een mooie koperen klink. Met een leren riem, waarin gaatjes zaten, kon men het raampje op verschillende standen zetten.

Na bij de halte Raamsdonksveer=Keizersijk gestopt te hebben ging het richting Raamsdonk. Rijdende richting Raamsdonk keek men aan de rechterkant uit op de achterzijde van de woningen aan de Keizersdijk. Aan de rechterkant stonden ook enkele schuingeplaatste witte planken met zwarte strepen. Pas veel later kwam ik er achter wat de functie van die borden was. Ze maakten deel uit van de beveiliging.

Het trace Raamsdonksveer-Raamsdonk kende twee grote bochten. Vanaf de halte Raamsdonksveer werd een bocht naar rechts gemaakt tot aan de wachtpost 16 (Ganzenwiel). Daarna maakte het trace een bocht naar links om vervolgens parallel lopend aan de St. Bavo de halte Raamsdonk te bereiken.

Bij de halte Raamsdonk stond mijn nichtje reeds op  het met koolas verharde perron te wachten om zich bij ons te voegen. Beiden hadden wij, zij als bruidsmeisje en ik als bruidsjonker, geacteerd bij het huwelijk van bovengenoemde tante. 
 

Het trace Raamsdonk-Waalwijk liep kaarsrecht en er was haast geen bebouwing te bekennen. Het gedeelte Waalwijk-Drunen was wat dat betreft interessanter. Je passeerde daar de restanten van de eens zo imposante brug over de Baardwijkse Overlaat. Veel brug was er niet meer te bekennen want na de oorlog heeft men voordat de lijn reactiveerd werd het grootste gedeelte van de brug vervangen door een aardendam c.q. dijklichaam. Het benodigde zand werd aangevoerd uit de Drunensche Duinen. De pijlers werden gesloopt tot maaiveldhoogte en het vrijgekomen puin werd afgevoerd naar de Moerdijkbruggen.

Het traject Drunen-Vlijmen liep ook kaarsrecht maar kende nogal wat bebouwing. Na station Vlijmen begon het hoogst gelegen gedeelte van de Langstraatspoorlijn. Men passeerde wachtpost 38 aan de Heidijk en daarna de Moerputtenbrug en wachtpost 39 aan de Deuterensestraat.

De trein reed daarna over een grote sluis en er werd een scherpe bocht naar links ingezet, 90 graden, om uiteindelijk het viaduct over de Vlijmenseweg c.q. Onderweg te bereiken. Het was een gepiep, geknars en gewring van jewelste. Komende vanuit Geertruidenberg keek ik rechts uit mijn raampje en zag hoe groene electrische treinen en goederentreinen getrokken door WD-locomotieven naar Den Bosch, Eindhoven en Tilburg gingen. We zullen die trein naar Eindhoven niet meer halen zei ik tegen mijn moeder. Zij was daar ondertussen ook wel achter gekomen.

Na het viaduct gepasseerd te zijn zag je links een stootblok met spoor liggen. Langs dit spoor lagen biels opgestapeld. Weer wat verder, ook aan de linkerkant zag ik een draaischijf met watertoren. Het geknars en gepiep bleef aanhouden want de trein moest alle sporen oversteken dan wel kruisen via een wisselstraat om uiteindelijk langs het 1e perron te stoppen. In Den Bosch aangekomen streken we neer in de stationsrestauratie waar men in die tijd nog bediend werd door een ober met een witte schort voor.

Op onderstaande foto van Frans Pulles uit Drunen is goed te zien waar de trein aankwam en vertrok. We zien op deze foto een locomotief gebouwd door Beyer Peacock & Ltd. te Manchester. De locomotief is na aankomst uit Lage Zwaluwe losgekoppeld van de rijtuigen en op de draaischijf richting Lage Zwaluwe gezet. De locomotief liep vervolgens om en werd aan de rijtuigen gekoppeld. Men kon weer richting Langstraat stomen. De locomotief staat voor de loopbrug welke het 1e en 2e perron met elkaar verbindt. Vanuit het station loopt men nu nog rechtstreeks perron 1 op. Vanaf dat perron vertrok de trein richting Waalwijk. Het is het huidige perron 1a.

Voorzover ik weet bestond de trein uit een locomotief en drie rijtuigen t.w. een bagagewagen en twee personenrijtuigen. Ik heb bovengenoemde treinbewegingen zelf gezien. Ik mocht van mijn moeder, ik geloof dat het in juli 1949 was, nadat we per trein waren aangekomen in Den Bosch e.e.a. gadeslaan. We zouden wel een trein later naar Eindhoven nemen en moeder zou zolang in de restauratie gaan zitten. Het station Den Bosch was in die tijd verwoest maar een kop koffie drinken kon nog wel.

Voor familiebezoek in Raamsdonk namen we ook de trein. Zo gingen we op zondag  met de trein nogal eens naar ome Janus en tante Drikka Broekmans. We brachten er heel de middag door en na er 's avonds boterhammen te hebben gegeten bracht ome Janus en mijn nichtje Nellie ons weer naar de trein. De locomotief was niet altijd een WD locomotief. Het is voorgekomen dat een locomotor de tractie richting Geertruidenberg verzorgde.

Mijn moeder en ik gingen in de tijd dat er nog personenvervoer op de lijn was met de trein niet alleen richting Den Bosch. Mijn moeder kreeg in 1947 een relatie met iemand uit Den Haag. Wij dus met de stoomtrein vanuit Den Berg naar Lage Zwaluwe. In Lage Zwaluwe werd overstapt op de trein naar Den Haag. De vader van de vriend van mijn moeder nam mij met de tram mee om brood te kopen. Wanneer we in Den Haag waren en het was goed weer dan gingen we met de trein vanaf station Den Haag HS met de trein naar Scheveningen.

In die tijd werd een klasgenootje van mij overreden door een vrachtwagen geladen met aardappelen. Dit incident maakte een grote indruk op mij. Als men mij in Den Haag daarover informeerde zei ik steevast in mijn Bergs dialect dat er bij een kiendje uit mijn kleuterklas een erpelenwagen over zijn bolleke was gereden.  Men vertelde mij dat dat kiendje nu in de hemel was, en misschien wel beter af zou zijn dan in dit aardse tranendal. Ik zie mijn klasgenootje met zijn op was lijkende gezichtje en versierd met bloemen nog in het kistje liggen. Ja, dit greep mij wel aan.        

Op een gegeven moment kreeg de jongste zus van mijn moeder verkering met Robertus van Velthoven, een neef van mijn vader, uit Hank. In de oorlog was er aan de boerderijen in Hank veel schade toegebracht. Mijn moeder en Bertus stoomden met de trein naar Den Bosch en daarna naar Utrecht om te vernemen hoe het met de schadevergoeding van de boerderij zat. Ome Bertus kon niet zo goed tegen het reizen met trein en bus en moest dus kotsen. Last van reisziekte dus. Mijn moeder noemde dat nameten. Uiteindelijk sleepte Bertus toch nog een goede schadevergoeding in de wacht.   

In april 1950 kreeg ik op mijn zesde verjaardag zowaar een fiets met twee wielen als cadeau. Ik was de driewieler ontgroeid. Het was een doortrappertje met dikke banden. Door dit fietsje werd mijn actieradius behoorlijk vergroot. Ik zat nog op de kleuterschool en zou in september 1950 naar de grote school c.q. basisschool gaan bij meneer A. van Onzenoort. 

Dus om 12.00 uur eerst thuis eten en daarna met de fiets naar het station om vervolgens via het pad tussen het station en de retirade het perron op te rijden. Meneer van Lieshout vroeg dan aan mij of ik wel een perronkaartje had en of ze thuis wisten dat ik naar het station was gereden. Een perronkaartje had ik natuurlijk niet en dan zei hij lachend tegen mij: "Kom maar naar de treinen kijken maar niet te dicht bij de perronwand komen he want er zijn al zoveel ongelukken gebeurd."  

Ben Baars, eigenaar van de bioscoop in Geertruidenberg sinds 1928, maakte ook films over Geertruidenberg. Zo legde hij in 1949 het Bergse (school)leven vast op celluloid.
Ook ik werd gefilmd, en wel op de Bewaarschool Sint Jan bij de zusters in de Koestraat. Op 18 juli 1950 maakte Ben een film over het sociale- en culturele leven van Geertruidenberg. Hij had daartoe alle verenigingen, clubs en niet te vergeten de plaatselijke middenstand uitgenodigd en hij stelde voor om als stoet door Geertruidenberg te trekken. De stoet startte rond 19.00 uur vanaf hotel Stal aan de Markt.
Ik liep ook mee in die stoet, en wel als welp bij de Willem van Duivenvoorde groep. Toen wij over de Stationsweg richting brug liepen zag ik, toen we het station passeerden, een trein getrokken door een WD-machine klaar staan voor vertrek naar Den Bosch. Dit moet dan trein 1285 zijn geweest, die om 19.36 uur vanuit Geertruidenberg vertrok. Even later passeerde ons de trein ter hoogte van de goederenloods waar het sein op veilig stond.
Het werd een mooie film. Kort daarop kreeg Baars commentaar en wel van B&W van Geertruidenberg. Daar had Ben geen opnamen van gemaakt. Baars heeft toen alsnog B&W en de gemeenteraad gefilmd tijdens een raadszitting waarin ook gestemd werd. Ik heb de film later gekocht toen de film ten bate van harmonie Apollo op videoband was gezet.

Op een gegeven moment hoorde ik van mijn moeder dat er in de dagblad de Stem stond dat er ingaande augustus 1950 niet meer met de trein naar Den Bosch of Zwaluwe konden. Zo kon het gebeuren dat op 31 juli 1950 's avonds tijdens het eten gezegd werd dat mijn moeder, een tante en een oom van mij en Harrie de Ridder (hij werkte ook op de boerderij) de trein zouden gaan uitzwaaien op het station Geertruidenberg. Ik wilde dolgraag mee. Men vertelde mij dat dit niet kon omdat ik dan veel te laat op bed zou liggen.  Ik diende de volgende morgen op tijd op de kleuterschool St. Jan in de Koestraat te zijn. Oma en tante Griet, een zuster van mijn oma, zouden wel op mij passen. Dat hebben ze voorbeeldig gedaan.

Toen ik de volgende ochtend in de klas kwam bleek dat er verschillende klasgenootjes de avond tevoren wel op het perron van Geertruidenberg hadden gestaan om de trein uit te zwaaien. Toen ik dit 's middags tijdens het middageten vertelde zei men mij dat dit niet kon omdat men geen kinderen uit mijn leeftijdsgroep had waargenomen. Ik ben toen erg boos geworden, want ik vond dat men mij voor de gek had gehouden.

Berge en Hensen woonden links en rechts in wachtpost 14. Berge was lijnwerker en Hensen was belast met het sluiten en openen van de brug. Sluiten van de brug ging volgens de dienstregeling.
Na 31 juli 1950 verhuisde Hensen naar Zwijndrecht en kwam van Gils in hun huis wonen. Berge zou later naar de overweg aan de Keizersdijk zijn gegaan om de bomen daar te bedienen.
 

Begin augustus 1950 gingen we weer op vakantie naar Eersel. Personenvervoer op de lijn was er niet meer dus met de BBA lijn 22 vanuit Geertruidenberg naar Den Bosch en met de trein naar Eindhoven. Daarna gingen we met de BBA bus met als eindpunt Reusel grens naar Eersel.

Veel later kwamen we er achter dat we beter met BBA lijn 26 naar Breda konden reizen en van daaruit met de trein via Tilburg naar Eindhoven konden sporen.

Na juli 1950 deden we weinig boodschappen meer in Waalwijk en Den Bosch. Mijn (blauwe) communiepak voor Hemelvaartsdag 1951 is nog gekocht bij V&D in Den Bosch maar daarna vond mijn moeder het geslinger met lijn 22 welletjes. Voor kleren, gebak e.d. gingen we voortaan naar Breda en/of Oosterhout. In Geertruidenberg kwam elke werkdag nog steeds de goederentrein uit Lage Zwaluwe aan. Die trein vervoerde o.a. (nieuwe) fietsen die bij fietsenmaker Piet Stoop aan de Stationsweg werden afgeleverd. Mijn moeder had in 1951 een fiets bij Piet besteld. Het was een grijs kleurige fiets. Op het frame zaten plastic transparante beschermingsringen tegen beschadigingen. De fiets kwam aan in Geertruidenberg en mijn moeder vond dat de kettingkast beschadigd was. Piet legde uit dat e.e.a. tijdens het vervoer kon gebeuren. Mijn moeder nam daar geen genoegen mee en dingde 25 gulden op de prijs af.

Therus Snijders uit Raamsdonk liet 1951 een raccordement naar zijn steenkolen- en oliehandel aanleggen. Therus had al een losplaats richting Geertruidenberg.
Na het passeren van de overweg richting Geertruidenberg kwam men een rechtsuitgaand wissel tegen. Langs dat rechtsuitgaand spoor lag de eerste kolenopslag van Snijders. Dit spoor boog weer met een wissel de Langstraatspoorlijn richting Geertruidenberg op.
In 1951 werd er een wissel in de overweg bij de halte Raamsdonk aangelegd. Een overweg met twee sporen dat was iets nieuws voor de Langstraatspoorlijn. Als ik dan weer eens op bezoek was bij ome Janus in Raamsdonk ging ik met met Nellie en haar vriendinnen naar de nieuwe sporensituatie in Raamsdonk kijken. De broers van Nellie vonden het maar raar dat ik zo idolaat van die spoorlijn was.

Toen het personenvervoer op de lijn verdwenen was verpauperde de lijn in snel tempo. De lijn was al in de jaren voor WO II niet moeders mooiste maar na 1950 ging het wel heel snel. De stations en bijgebouwen zagen er haveloos uit en op het 2e perron als dat aanwezig was tierde welig het gras. In het tweede gedeelte van de vijftiger jaren begon men met het afbreken van het station en bijgebouwen te Hooge Zwaluwe. Ook de halte Made=Drimmelen viel onder de slopershamer. In Geertruidenberg werd de retirade afgebroken en verder werd afscheid genomen van de gebouwen welke deel uitmaakten van Capelle=Vrijhoeve.

In de eerste helft van de zestiger jaren werden de stations van Geertruidenberg, Waspik, Waalwijk, Drunen=Heusden en Vlijmen van de spoorwegkaart geveegd. 

Een zus van mijn moeder die ook inGeertruidenberg woonde ging op 17 april 1951 trouwen en in Drunen wonen in de Wolfshoek. In maart 1951 zei men tegen mij: "Breng jij ome Jan maar naar de bushalte, jij weet waar dat is want je komt elke dag op het station." Ome Jan en ik dus in akelig weer naar het station waar je op moest stappen voor lijn 22 richting Drunen. Lekker aan de westzijde van het station in de elementen wachten, er was niet eens een bushokje, op de BBA bus. Het station met zijn wachtkamers bleef gesloten.  lijn 22. Ik vond dit banaal en werd boos op van Lieshout. Ik zou hem de volgende dag wel eens zeggen hoe ik er over dacht. Mijn moeder zei tegen mij dat ik dat niet moest doen. Het schijnt zo te zijn geweest dat ik gezegd moet hebben dat hij niet op mijn communiefeest op Hemelvaartsdag mocht komen. De volgende dag stond ik toch weer op het perron en was ik het voorval weer vergeten.

Ome Jan had zijn fiets in Drunen bij de vroegere tramremise of bij HCR de Visser gestald. Toen de trein nog reed ging hij gewoon vanuit de Wolfshoek per fiets naar het station Drunen=Heusden; daar stalde hij zijn fiets en stapte hij op de trein. Er bestond in die tijd ook een BBA busverbinding vanuit Drunen naar Heusden. Men kon bij de Visser opstappen en de bus reed dan via de Remise, Badhuisweg en Wolfshoek naar Elshout. Vandaar ging het via de Heusdenseweg richting Heusden.

Toen mijn tante vanaf april 1951 in Drunen wonen gingen mijn moeder en ik regelmatig met lijn 22 naar haar zuster in de Wolfshoek.

Wanneer we bij die tante waren werd ik wel eens om een boodschap gestuurd. Zo moest ik eens een keer kaas gaan halen bij Jans de Knippel.  Jans had een kruidenierszaak aan het einde van de Wolfshoek. Ik stapte de winkel binnen en bestelde een pond gesneden kaas. Het eerste wat mij gevraagd werd was wie ik was en waar ik vandaan kwam. Nou, ik kwam uit Den Berg en was bij tante To op visite. Een snijmachine was niet aanwezig dus werd met een mes een pond kaas uit een grote kaas gesneden. Ik had zoiets nog nooit gezien. Ik zag dat ze in die winkel ook nog klompen verkochten. Gele klompen met een rode neus. Jans vroeg aan mij of ik nog meer boodschappen had. Nou die had ik niet. Ik zei nog wel dat tante To het wel zou betalen. Geen probleem voor Jans.

Ik stapte de winkel uit en zag op een gegeven moment de spoorwegovergang, wachtpost 32, bij De Lips liggen die ik 's morgens met de BBA bus was gepasseerd. Ik wandelde met de kaas richting het station Drunen=Heusden.

Dit station had 2 perrons. Die twee perrons waren verbonden d.m.v. een bielsoverloop. Voor de overweg, bij Lips waar ook een wachterswoning stond, gingen de perronsporen in elkaar over.
Tijdens de herstelwerkzaamheden aan de spoorlijn na WO II heeft men het wissel bij de bovengenoemde overweg opgebroken en verviel de spoorlijn langs het tweede (niet betegelde) perron. Er resteerde alleen nog de (gebogen) perron 1 lijn. Het station werd in 1963 afgebroken t.b.v. de aanleg van de Maasroute. Station en emplacement waren van de openbare weg afgescheiden d.m.v. het typische diagonale zwart/wit hekwerk. De weg naar het station, Parallelweg, was aan weerszijden voorzien van bomen. Komende vanuit het station kon men dan via een pad richting veiling en stationskoffiehuis lopen.
In 1951 reisden mijn moeder en ik na een bezoek te hebben gebracht aan die tante in de Wolfshoek met BBA lijn 22 vanuit Drunen naar Geertruidenberg. Op de bus trof je toen nog een chauffeur en een conductrice aan. De conductrice moest zich schrap zetten tussen twee banken om de vervoersbewijzen te knippen of uit te geven. Die vervoersbewijzen hadden een portraitformaat en waren groen van kleur. Ik herinner me nog een conductrice die bij het passeren van de bus bij wachtpost 30 bij de Drunensche Dijk zich niet staande kon houden en achterover viel. Dit leverde een geenszins elegante aanblik op.
 

Ik heb van mei 1953 tot februari 1956 in Drunen in de Wolfshoek  gewoond. Ook daar ging ik 's middags naar het  rangeren van de goederentrein, die vanuit Den Bosch naar Raamsdonk reed, kijken. Dus weer met het fietsje vanuit de Wolfshoek richting wachtpost 32 bij de Lips, en dan bij Bertus van Engelen rechtsaf de Parallelweg op richting station. Naast Bertus van Engelen, een elektrotechnicus, die een winkel had waar men lampen en andere huishoudelijke apparaten kon kopen woonde Jos de Wit, een zoon van het Roodwitje. Jos had een sigarenmagazijn zoals dat in die tijd genoemd werd.
In het station Drunen=Heusden woonde in die tijd Vercruysen.

In februari 1956 ging ik weer wonen in Geertruidenberg.
Dus 's middags weer treinen kijken op het station, bij de Dongecentrale en de Tankfabriek. In het voorjaar van 1956 reed ik via Koestraat en Doelestraat naar het station en werd op de Stationsweg aangereden door een motorrijder. Ik liep geen letsel op, maar mijn nieuwe Empo fiets lag wel helemaal in de kreukels.
Ik zei tegen mijn moeder dat ik met mijn fiets gevallen was. Ze geloofde het nog ook. Jaren later heb haar haar de ware toedracht verteld.

Ik zag in 1956 weer de WD-locomotieven rond 12.30 de Stationsweg oversteken om de Tankfabriek en de Juinjood in de Bastionstraat, waar ook een overweg was, te bedienen. Het was een fantastisch gezicht deze mastodonten vanaf het emplacement de Stationsweg te zien oversteken. Ze werden bij hun oversteek begeleid door een persoon met een rode vlag en een geel koperen hoorn. Toen de stamlijn naar de Tankfabriek en de Juinjood werd aangelegd maakte men een doorgang in het zwartwitte diagonale hekwerk. Deze doorgang kon worden afgesloten m.b.v. een hek. Dit hek stond in mijn beleving altijd open. Als men de havensporen wilde bereiken moest men eenzelfde hek passeren. Ook dit hek stond steeds open. De hekken hingen er wat verloren bij c.q. ze werden nooit gebruikt.

Bij de Dongecentrale rangeerde de trein ook. Voor wachtpost 12 lag een wissel dat linksuitgaand naar de Dongedcentrale liep. Daarna kwam weer een wissel waarmee men doorgaand via de portiersloge naar de centrale ging; rechtsuitgaand liep de lijn over een dijk parallel aan de provinciale weg Geertruidenberg-Made tot aan het einde van het terrein van de centrale. Daar stonden de stootblokken. De goederentrein kwam meestal rond het middaguur in Geertruidenberg aan, om na verrichte arbeid de vestingstad rond half twee weer te verlaten.

Kees Snijders, werkzaam bij de Tankfabriek, vertelde dat de WD-locomotief het wissel in het raccordement van de Tankfabriek niet mocht passeren i.v.m. de krapte van de railbocht.
Het schijnt te zijn voorgekomen dat men daar geen acht op sloeg zodat de trein spontaan uit de rails liep en op straat kwam te staan. Met vereende krachten en d.m.v. ijzeren platen kon men dan toch nog de locomotief in het rechte spoor krijgen, zodat men Utrecht niet behoefte te waarschuwen.

Ik heb vanaf 1956 tot 1958 heel wat gevoetbald op een zanderig terrein dat langs de spoorlijn lag. Tegenover dat terrein lagen de laatste huizen in de Koestraat en de Emmaweg. Het terrein werd van de spoorlijn afgescheiden d.m.v. betonnen paaltjes voorzien van prikkeldraad. We speelden in die tijd met ballen gemaakt van plastic. Ergo: de ballen waren steeds lek na contact met het prikkeldraad.
In 1957 kreeg ik met Sinterklaas eindelijk een leren voetbal. Dat was een hele verbetering. De bal werd opgepompt bij garage Kwaaitaal in de Koestraat, zo hard als een steen, maar lek werd de bal niet meer.

Op Goede Vrijdag 1963 reed er 's middags een sproeitrein van Lage Zwaluwe naar Den Bosch. De gelijkvoerse kruising van de stamlijn naar de Tankfabriek met de Stationsweg had een bevloering met dezelfde klinkers als de Stationsweg. In 1963 was de nieuwe verkeersbrug over de Donge klaar. De toerit vanaf Geertruidenberg kwam een stuk hoger te liggen, en dus moest ook de daarin liggende spoorlijn worden verhoogd. De klinkerbevloering werd vervangen door betonnen platen. Directeur van de Tankfabriek was in die tijd dhr. Hartong.

Ome Thijs, de man van een zus van mijn moeder, heeft vanaf 1956 heel wat bijgebouwd bij de Tank. Het heiwerk besteedde hij uit aan Blijlevens uit Geertruidenberg.
Ik kwam geregeld bij die bouwactiviteiten kijken. Ome Thijs vond het geweldig dat ik geinteresseerd was in zijn bouwsels. Als je dan in de door hem gebouwde hoge fabriekshal naar boven klom zag je onder de WD locomotief naar binnen stomen om de tanks op te halen. Heel de hal vol met stoom, rook en kolendamp natuurlijk. Had ik toen maar een fototoestel gehad.
 

In 1963 kwam de nieuwe verkeersbrug over de Donge gereed. Deze brug had een veel grotere doorvaarhoogte. Voorbij waren de lange wachttijden. In die tijd was er een druk scheepvaartverkeer tussen Amer-Donge en Wilhelminakanaal. De brug werd  ontworpen met een beweegbaar gedeelte en tevens voorzien van een brughuisje aan de noordzijde voor de bediening. Het mechanisme om het beweegbare gedeelte te bedienen is nooit aangebracht. Uiteindelijk heeft men het brughuisje afgebroken toen men zowel aan de noord- als aan de zuidzijde van de brug in de zomer van 1990 een fietspad aanbracht. Er is een periode geweest dat er maar liefst vier bruggen over de Donge lagen. Het betreft dan de spoorbrug, de in aanbouw zijnde verkeersbrug, de simultaan met de spoorbrug geconstrueerde verkeersbrug (afkopen concessie van der Made), en de baileybrug.

Deze laatste brug stond niet alleen dikwijls open t.b.v. de scheepvaart maar vertoonde ook technische mankementen v.w.b. het hefgedeelte. Het hefgedeelte werkte met contragewichten (betonnen blokken). Het kwam geregeld voor dat men na opening de brug niet meer gesloten kreeg. Ik bezocht in de periode 1956-1960 de MULO in Raamsdonksveer, en ging in de middagpauze op de fiets naar Geertruidenberg om te eten. Als het de brugwachter niet lukte de brug te sluiten werd ik "omgeleid" via de spoorbrug om alsnog de MULO te bereiken. Men draaide de spoorbrug dicht en aan de zuidzijde van het beweegbare gedeelte bracht men een soort hekwerk aan om te zorgen dat je niet met je fiets in de Donge viel.

In 1963 brak men de goederenloods in Geertruidenberg af. In augustus 1964 viel het station onder de slopershamer. Ik moest mij op 4 augustus melden te Blerick voor het vervullen van de militaire dienstplicht, en kon dus de afbraak van het station niet meemaken. Een paar maanden daarvoor was de neogothische R.K. kerk op de Markt door de firma van Hees uit Eindhoven afgebroken. Uiteindelijk is het puin van beide gebouwen in de spoorhaven van Geertruidenberg beland. Er zijn toen heel wat fouten gemaakt! Voordat men in 2004 kon beginnen met de aanleg van het Brandepoortbastion, het Koninginnenbastion en het Oranjebastion heeft men heel het spoorwegterrein moeten saneren. Zo werd het puin van de stations van Geertruidenberg en Waalwijk en dat van de RK Gertrudiskerk weer naar boven gehaald om vervolgens in een puinbreker tot wegverharding te worden getransformeerd.

Bij de goederenloods in Geertruidenberg stonden een ladingsmal en een (eenarmige) seinpaal.  De seinpaal regelde het uitgaande treinverkeer richting Den Bosch en het binnenkomende treinverkeer richting Lage Zwaluwe. Toen het reizigersvervoer werd gestaakt werd de seinpaal verwijderd evenals de brugbeveiliging. Om te voorkomen dat er treinen vanuit Geertruidenberg de spoorbrug zouden oprijden legde men vlak voor de spoorbrug over de Donge een rechtsuitgaand ontsporingswissel aan. Op de kopkanten van de goederenloods stond op een witte ondergrond in zwarte letters Geertruidenberg.
Zowel bij Spitters, wp 12, als bij Joore (later Damen), wp13, waren overwegen aanwezig. Alleen via de overweg bij wp13 kon men het goederenemplacement en dus de goederenloods bereiken. In die tijd lagen er ook al arken de spoorhaven. De plaatselijke Middenstand stak ook de overweg bij wp13 over om haar clientele aan de spoorhaven te bedienen.

Nog in de eerste helft van de zestiger jaren is deze overweg opgebroken. Om het emplacement toch te kunnen bereiken is toen enkele tientallen meters westelijk een onbewaakte overweg over de volledige breedte van het emplacement aangelegd. De overweg bij Spitters werd beveiligd door (ronde) metalen overwegbomen met traliewerk. Bediening vond plaatst via een hokje dat links van de spoorbaan richting Made stond. Ook de overweg bij Joore later Damen had traliewerk.
Bij de halte Raamsdonksveer=Keizersdijk waren de bomen van hout en niet voorzien van traliewerk. Wel zaten er reflectoren op. De tramlijn van Oosterhout naar Geertruidenberg kruiste hier de spoorlijn. In de nacht van 18 op 19 juni 1938 heeft men de kruising verwijderd en vervangen door een nieuw stuk spoor. Men schrijft over een verbetering voor het wegverkeer en dan m.n. voor de wielrijders. Voorzover ik weet  bestond de bevloering van de overweg uit houten blokjes. In de zestiger jaren is de houten bevloering vervangen door betonnen elementen. Nog later, is de overweg verbreed. Men legde er gewoon een paar extra betonnen platen bij. De rails in de overweg waren qua kop een stuk breder dan de rails welke aansloten op de overweg.
De vader van mijn ome Thijs Blom, ome Thijs is 93 jaar geworden, t.w. Antonius Blom heeft nog bij de firma Kleyn gewerkt en timmerwerkzaamheden aan de wachtposten langs de spoorlijn verricht.
 

In de Kerklaan te Raamsdonk vond men wachtpost 16 (Ganzenwiel). Die overweg lag in een bocht. Midden zestiger jaren is de weg over de overweg rechtgetrokken.
In 1950 werden in Geertruidenberg zowel de binnen- als buitenhaven gedempt.
 

Als ik in 1956 weer eens op het verlaten eerste perron van het station van Geertruidenberg stond zag ik hoe er op de sporen gelegen achter de eerder genoemde lorrieloods, die toegang gaven tot de spoorweghaven, door de WD locomotief gerangeerd werd. Op woensdagmiddag stak ik dikwijls het emplacement over en ging ik een kijkje nemen bij de goederenloods, de NCB en de spoorweghaven. 

In de buurt van en op het emplacement van Geertruidenberg was nogal wat industrie gevestigd. Zo waren er de Dongecentrale, de Tankfabriek en de inleggerij van Speyer Brothers Ltd ieder met een eigen spooraansluiting. Ook de firma Peridon en S.H. Meijers (kolenhandel) waren op het emplacement gevestigd. In 1949 werd het raccordement naar de Amercentrale aangelegd.

Op het emplacement vond men de NCB en de Tegelfabriek. Bas Zijlmans vertelt in De Dongebode nr. 3 2008 over de aardewerkfabrieken Decora en de Aardewerkfabriek Geertruidenberg N.V. Decora werd in oktober 1933 opgericht en wordt ondergebracht in een gebouw op het emplacement van de NS aan de Stationsweg 8. Op 6 maart 1935 wordt de fabriek opgeheven. Na Decora vestigt zich de Aardewerkfabriek Geertruidenberg N.V. op het emplacement. De halfproducten worden per trein uit Duitsland aangevoerd en in Geertruidenberg op het stationsemplacement gelost. De fabriek lag op korte afstand van het goederenspoor van het stationsemplacement. In de fabriek vond de afwerking van de halfproducten plaats en van daaruit werden de eindproducten o.a. afgeleverd aan klanten zoals Willem van Gelderen met zijn bazaar in de Brandestraat.

Giel Oome woonde reeds begin zestiger jaren aan de spoorweghaven. Hij en zijn vrouw bewoonden daar een ark. Op zijn eigen manier hielp Giel mee de spoorweghaven te dempen. Dat deed hij dan wel met milieuvriendelijk afval. Giel creeerde zo zijn eigen biologische tuin. Op die tuin hield hij kalkoenachtigen. Door de goede zorgen van Giel waren zij zo rond Kerstmis op het juiste gewicht. Mijn ome Janus uit Raamsdonk kocht die beesten dan op en verkocht ze weer aan familieleden die ze vervolgens met Kerst opvraten.
Giel en zijn vrouw hebben meer dan dertig jaar met hun ark in de spoorhaven gelegen. Uiteindelijk zijn de terechtgekomen in het verzorgingstehuis te Raamsdonksveer.

In de vijftiger en zestiger jaren van de vorige eeuw kon men bij Jan de Hoog en later Giel Dirven met de bus van de ALAD reizen naar  het Land van Heusden en Altena. De bus was bij Jan de Hoog geparkeerd in een soort gat. De ALAD had in die tijd als motto op het vervoersbewijs staan: "Bedenk het vandaag en onthoudt het voor morgen laat de ALAD uw reizen verzorgen".

Op de Keizersdijk bij het huis van Jan Vermue naast Betsie Tak,  Jan was jarenlang de boer op boerderij De Pannehoef aan de Voogdwerfsewsteeg,  vertrok in die tijd ook een BBA bus.

In augustus 1964 werd het station in Geertruidenberg afgebroken. Al waren dan veel gebouwen langs de spoorlijn onder de slopershamer gevallen de spoorlijn zelf was nog intact. De trein kon dus nog steeds van Den Bosch naar Lage Zwaluwe rijden. Nadat ik in 1966 uit dienst was gekomen ging ik meestal in het weekend uit in Waalwijk. Het Lido en Romantica, aan de Olympiaweg, waren toen voor mij de places to be. Toen ik op een zaterdagavond in 1966 lijn 22 miste, een lift was er niet en voor een taxi had ik geen geld, zat er voor mij niks anders op dan het trace Waalwijk-Geertruidenberg te voet af te leggen hetgeen ik toen maar gedaan heb. Dat betekende dus stappen van biels op biels om te voorkomen dat de kiezels je schoenzolen verbrijzelden. In juni 1968 was het traject nog steeds intact. In Raamsdonk kruiste de spoorlijn de A59 ter hoogte van vroegere Nieuweweg in Raamsdonk. Men  construeerde een spoorwegovergang in de A59. De A59 bij Raamsdonk bestond toen uit klinkers en was een tweebaansweg. Met de aanleg van de A27 was men toen ook bezig. De aanleg van de A27 luidde het einde van het traject Raamdonk-Raamsdonksveer in. Deze weg kruiste de spoordijk tussen wp 15A Omschoorweg en wp 16 Ganzenwiel. Er kwam geen viaduct voor de Langstraatspoorlijn. De spoordijk werd afgegraven om de A27 verder richting Keizersveer te kunnen aanleggen. De Langstraatspoorlijn was nu ook fysiek in twee stukken geknipt.

Volgens mij heeft men toen men het station van Geertruidenberg in 1964 afbrak het 1e perron niet verwijderd. Wanneer het 2e perron verwijderd is weet ik niet. Begin zeventiger jaren was het 1e perron in Geertruidenberg nog aanwezig. Men heeft nog witte verfstrepen op de rails aangebracht om aan te geven hoe het pad vanaf het 1e perron richting lorrieloods liep. In de 1e helft van de zeventiger jaren of eerder is het 1e perron opgebroken. Ik kwam nog wel eens op het emplacement maar het bood me een troosteloze aanblik. Er kwamen nog wel goederentreinen in Geertruidenberg. Bij de vroegere goederenloods was een locatie waar de machinist zijn boodschap kon achterlaten.

Op het vroegere emplacement van Geertruidenberg zag men eind zeventiger en begin tachtiger jaren nieuwe vormen van vervoer verschijnen. Goederenwagons kwamen in Geertruidenberg aan en werden vervolgens op een dieplader, voorzien van rails, geladen om verder vervoerd te worden. Op een gegeven moment verdween koon de trein Geertruidenberg niet meer bereiken. Vanaf de rivier de Amer werd voor het Wilhelminakanaal een nieuwe verbinding met Oosterhout gegraven. De Langstraatspoorlijn werd doorsneden, er kwam geen brug, en de trein kwam nooit meer in Geertruidenberg.  Er bestond nog wel een verbinding tussen Lage Zwaluwe en Oosterhout. Deze lijn heeft zich behoorlijk ontwikkeld. Zo resteert er na 120 jaar toch nog een stukje Langstraatspoorlijn dat bestaansrecht heeft.

Begin zeventiger jaren begon men met het opbreken van het trace spoorbrug Geertruidenberg-Raamsdonk. In mei 1972 was het afgelopen met het goederenvervoer op het gedeelte Raamsdonk-Den Bosch.

Wordt verder uitgewerkt.

Thans worden in Geertruidenberg 3 bastions gerealiseerd op het oude spoorwegemplacement. Men is thans bezig met bastion drie c.q. het Oranje Bastion. 

De spoordijk lopende vanaf de spoorbrug over de Donge naar wachtpost 15 is gedeeltelijk afgegraven t.b.v. de realisering van de wijk Veerse Geer. Ik mis het groene hekwerk met de witte puntjes.

De spoordijk lopende vanaf wachtpost 15 naar de A27 is reeds eerder afgegraven en vrijgegeven voor woningbouw. We hebben het hier over De Bossen waar in 1956 de boerderij van Aart van Wijk afbrandde en waar ik met mijn vriendjes voetbalde.

Steeds meer tastbare herinneringen uit mijn jeugd over de Langstraatspoorlijn worden uitgewist.

Wordt vervolgd.

 Homepage


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
 
Vragen of opmerkingen over deze website kunt u e-mailen aan de webmaster:mailto:j.s.m.van.velthoven@planet.nl